Follow FrankTwisk on Twitter  
   

 

 

 

 

Davenport:

verminderde

response hartslag

op inspanning

draagt bij aan

inspanningsintolerantie  

 

 

 

 


 

 

 

Op basis van een review van inspanningsstudies concluderen Davenport en collega's van de Work-

well Foundation dat inspanningsintolerantie (mede) verklaard wordt door 'chronotropische

incompetentie': het onvermogen de hartslag te (doen) verhogen als de inspanning daarom vraagt.

 

Dit heeft tot gevolg dat de maximale hartslag vaak (aanzienlijk) lager is dan de norm (220 - leeftijd),

ondanks maximale inspanning tijdens de inspanningstest (bijv. respiratoir quotiŽnt > 1,15).

Dit laatste werd overigens al in 2000 (!) geconcludeerd door prof. de Meirleir en anderen: klik hier.

 

Het feit dat de maximale hartslag vaak ver onder de leeftijd-gerelateerde maximale hartslag ligt,

impliceert dat het vaak gebruikte stopcriterium voor een "submaximale" inspanningstest

(hartslag: 70% van 220 - leeftijd) in de context van ME/CVS onjuist is en

dat patiŽnten in de praktijk ('onopgemerkt') een maximale inspanningstest ondergaan.

 

In de review zijn 36 inspanningsstudies geanalyseerd: 25 studies onderzochten patiŽnten met CVS.

De maximale hartslag van patiŽnten was gemiddeld 82,2% van de maximale hartslag berekend op

basis van de leeftijd, die van sedentaire (inactieve) mensen was 11,2 hartslagen hoger (94%) (tabel 1).

De hartslag van patiŽnten waarop de verzuring (anaerobe of zuurstofloze energieproductie) intreedt,

de "verzuringsdrempel", was 5,4 hartslagen (9,1%) lager dan die van de inactieve mensen (tabel 2).

 

 

 

 

Alhoewel de maximale hartslag van mannen relatief hoger is, is-ie nog steeds vrij laag (87,5% van

de maximale hartslag die hoort bij de leeftijd, vrouwen bereikten 83,0% van hun 'leeftijdsmaximum').

 

De auteurs suggereren dat afwijkingen in het sympathische zenuwstelsel aan de basis liggen

van de "chronotropische incompetentie": het onvermogen een inspanning te leveren.

Zelf denk ik, mede op basis van de wijze lessen van prof. de Meirleir en mijn eigen ervaringen,

dat de 'slechte' prestaties te wijten zijn aan verminderde energieproductie in de spieren

(beenspieren verzuren, mijn benen stoppen er vaak gewoon mee, en hartspier heeft minder kracht).

 

De effecten van inspanningstest op de hartslag bij een tweede inspanningstest (tabel 4) zijn negatief:

de maximale hartslag nam (gemiddeld) af van 87,9% naar 84,3% van het 'leeftijdsmaximum'.

de maximale hartslag van inactieve mensen nam daarentegen licht toe (van 90 naar 90,6%)

De 'hartslag bij verzuring' nam bij patiŽnten af van 92,4% naar 90,9% van de 'leeftijdshartslag',

terwijl die bij inactieve mensen toenam van 95% naar 101%, hetgeen een trainingseffect illustreert.

 

Terwijl de meest ernstige gevallen (logischerwijs) niet eens deelnamen aan inspanningstesten,

zijn er grote verschillen in de hartslagcapaciteit bij inspanning tussen de vier 'invaliditeitscategorieŽn'.

 

De effecten van een inspanningstest op de maximale zuurstofopname en de 'zuurstofopname bij ver-

zuring' bij een tweede inspanningstest (24 uur later) zijn voor patiŽnten eveneens negatief (tabel 6).

De (gemiddelde) maximale zuurstofopname nam bij patiŽnten af van 21,5 ml/kg/min (6,15 MET) naar

20,4 (5,84), de zuurstofopname-bij-verzuring nam af van 12,74 ml/kg/min (3,64) naar 11,36 (3,25).

 

Kortom, wederom kunnen we concluderen dat het trainingseffect bij ME/CVS-patiŽnten negatief is.

Het is dan ook niet vreemd dat 'CGT' en GET een negatief effect heeft op een grote groep patiŽnten.

 

De betekenis van de 'slechte' prestaties van patiŽnten en de negatieve effecten van inspanning worden in het dagelijks leven wordt geÔllusteerd in onderstaande tabel. In de tabel zijn in het rood de alle-

daagse activiteiten weergeven die boven de verzuringsdrempel van patiŽnten en inactieven liggen.

Het is schokkend te zien hoeveel lichte activiteiten door patiŽnten 'in het rood' uitgevoerd worden.

 

 

 

 

Samengevat: patiŽnten willen wel, maar kunnen (vaak) hun conditie niet verbeteren (catch-22).

Kunnen we nu eindelijk 'revalidatietherapieŽn' achter ons laten en op zoek gaan naar oplossingen.

 

 


 

Voor het persbericht bij de studie van de Workwell Foundation, klik op onderstaande afbeelding:

 

 

 

 


 

 

 

Chronotropic intolerance: An overlooked determinant of symptoms and activity limitation in Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome?

Front. Pediatr. 7:82. https://doi.org/10.3389/fped.2019.00082.

Davenport TE, Lehnen M, Stevens SR, VanNess JM, Stevens J, Snell CR.

 

 

Post-exertional malaise (PEM) is the hallmark clinical feature of

myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome (ME/CFS).

 

PEM involves a constellation of substantially disabling signs and symptoms

that occur in response to physical, mental, emotional, and spiritual over-exertion.

 

Because PEM occurs in response to over-exertion,

physiological measurements obtained during standardized exertional paradigms

hold promise to contribute greatly to our understanding of

the cardiovascular, pulmonary, and metabolic states underlying PEM.

 

In turn, information from standardized exertional paradigms

can inform patho-etiologic studies and analeptic management strategies in people with ME/CFS.

 

Several studies have been published

that describe physiologic responses to exercise in people with ME/CFS,

using maximal cardiopulmonary testing (CPET) as a standardized physiologic stressor.

 

In both non-disabled people and people with a wide range of health conditions,

the relationship between exercise heart rate (HR) and exercise workload during maximal CPET

are repeatable and demonstrate a positive linear relationship.

 

However, smaller or reduced increases in heart rate

during CPET are consistently observed in ME/CFS.

 

This blunted rise in heart rate is called chronotropic intolerance (CI).

 

CI reflects an inability to appropriately increase cardiac output

because of smaller than expected increases in heart rate.

 

The purposes of this review are to

  1. define CI and discuss its applications to clinical populations;
  2. summarize existing data regarding heart rate responses to exercise
  3. obtained during maximal CPET in people with ME/CFS

    that have been published in the peer-reviewed literature

    through systematic review and meta-analysis; and

  4. discuss how trends related to CI in ME/CFS observed in the literature

  5. should influence future patho-etiological research designs and clinical practice.

 

Keywords:

 

Myalgic Encephalomyelitis (ME), exercise, exercise test, heart rate, chronotropic incompetence (CI), chronic fatigue syndrome

 

 

https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fped.2019.00082/pdf